De portretten van Stephan Vaerewyck


Als twintiger en student Indologie begon Stephan Vaerewyck (°1971) te tekenen, geheel als autodidact, eerst houtskoolportretten, daarna in kleurkrijt. Enkele jaren later begon hij in acrylverf te schilderen. Al in deze beginfase, waarvan de meeste output ondertussen verworpen is, kristalliseert vrij snel zijn methode van werken. Een sprekend beeld (bijvoorbeeld een foto of bestaand kunstwerk, of een typisch deel uit een dergelijk werk) vorrnt bet uitgangspunt voor een langdurige periode van opnemen, kneden en bewerken van dit oorspronkelijke visuele materiaal tot, wat ik wil noemen, een portret.

In dit proces neemt de herkenbaarheid van de inspiratiebron geleidelijk af, de input van de persoonlijkheid van de kunstenaar wordt dominanter, en zo wordt elk werk ook in zekere zin    een zelfportret (alhoewel die in strikte zin niet tot zijn oeuvre behoren). Of zoals Jeroen Brouwers schreef naar aanleiding van een Vaerewyck's portret van hem: "Dit ben ik en toch ben ik het niet." Kan ook niet, het is minstens evenveel Vaerewyck.

Tegelijk worden schilderkunstige argumenten dwingender en leggen aan het werk hun eigen wetten op.

Ik kan niet in woorden beschrijven hoe het wekenlange behandelen van het materiaal zijn gang gaat. Het is een schilderkunstig proces waarbij de gesproken en gedachte taal niet of nauwelijks aan bod komt en Vaerewyck ertoe komt uit te drukken wat enkel in beeld, niet in woord is te vatten.

In zijn schilderstaal gaan de kleuren een eigen taal spreken. De vroegste portretten zijn meestal monochroom, in een geblokte vlakkenstijl, door Stephan "scherven" genoemd. Later ziet men dezelfde tinten uit een meer gevarieerd pallet overal in het werk opduiken en aldus het portret als picturaal amalgaam verschijnen. Ze hebben een sterke vloeistoffelijke samenhang (lijkend op de taal waarin Bacon soms beweging vat) en zijn heel sterk kleurenconsistent. De verflagen worden ondertussen steeds dunner.

Rond deze tijd ontstaan een aantal acrylschilderijen geïnspireerd door moderne architectuur. Toevallig hangt er een aan mijn Utrechtse schoorsteen, en opvallend is welke menselijke vormen mijn bezoekers herkennen in de afbeelding van wat feitelijk bet Designmuseum van Frank Gehry is, of moet ik zeggen: "was"? Dit is de kunstenaar die wekenlang voor het werk staat en zichzelf, iedere dag weer, af-beeldt in het schilderij. Het is een soort absoluut picturaal realisme. Er is niks magisch, surrealistisch of abstracts aan (net zomin als er iets abstracts is aan Picasso).

Uiteindelijk begint Vaerewyck te werken in groter opgezette diptieken en triptieken, waarin verschillend materiaal wordt samengebracht maar nog steeds vanuit de wekenlange projectietechniek wordt behandeld. Er ontstaan buitengewone zelf-portretten, die noch een afbeelding van een persoon zijn, noch een portret van de kunstenaar zelf, en die ik toch zo wil blijven noemen.

Bekijken we de creatie van het werk vanuit het standpunt van het schilderij zelf. Eerst is het identiek met het uitgangspunt (dat al een historische kunsticoon kan zijn, zoals de harlekijn bij Picasso of de kat van Corneille). Dan wordt het bewerkt en verrijkt met evenzovele werelden en mogelijkheden: het is iedere dag meerdere uren lang blootgesteld aan de schilder, zijn (niet-talige) opinies, gevoelens en visuele input van het moment (met op de achtergrond veel kunstgeschiedenis en het werk van illustere voorgangers, waarvan de kunstenaar uitstekend op de hoogte is). Door dit proces voortdurend te herhalen bereikt het werk tenslotte een soort absolute, bijna iconografische status. Het is alsof op een abstract niveau visuele interpretatielaag na interpretatielaag op het doek wordt aangebracht en zo bijna universeel wordt. Het is hierbij belangrijk dat het werk niet plotseling tot stand komt, maar in noeste, dagenlange arbeid. Op die manier ontstaat het universele zelfportret. Het staat in een bijna ambachtelijke, trage traditie van werken en herwerken. Waar bij de klassieke portretkunst de kunstenaar uren en dagen met de feitelijk geportretteerde doorbrengt, is het hier het portret dat veel tijd moet doorbrengen met de kunstenaar.

Wieland Schmied beschrijft in zijn Bacon-monografie het "niet-illustratieve realisme". Waar het illustratieve realisme zich aan het talige intellect richt, gebruikt het niet-illustratieve realisme een veranderingstechniek (instinct of toeval) om tot een gecompliceerde voorstelling van de werkelijkheid te komen. Bij Bacon gaan deze instinctieve veranderingen in de voorstelling zelf een confrontatie aan (door Schmied "bewustzijn van het geweld" genoemd). De veranderingstechniek bij Vaerewyck is niet bruusk, het is de tijd die zijn werk gaat; zo gezien hoort zijn werk echter volmondig bij dit niet-illustratief realisme, en sta mij toe het bijbehorende bewustzijn een "bewustzijn van rust" te noemen.

Net zoals de kunstenaar het werk langdurig aan zijn "ziel" blootstelt, zo is het ook mogelijk van het werk van Vaerewyck bijzonder lang te genieten, zonder verveling, maar ook zonder een drang naar voortdurende nieuwe intellectuele interpretatie; ik kijk zelf al bijna vier jaar lang bijna iedere dag naar zo een schilderij. Ik denk dat deze rijkdom aan "universele" visuele intelligentie de kern vormt van de blijvende aantrekkingskracht van zijn werk, en ik hoop van harte dat U er ook door gegrepen wordt.


Gunther Cornelissen
Utrecht, 14 januari 2004